Componeer

Componeer: kies een aantal geschikte tracés en werk die globaal verder uit. Let op aantrekkelijkheid!

De ideale snelle fietsroute begint bij je voordeur en eindigt bij je werk. En oh ja, hij loopt ook nog langs de school van je kinderen en je favoriete supermarkt. Voor de overheid als leverancier van fietsroutes is het uiteraard pas interessant om de route te gaan opwaarderen als er voldoende fietsers gebruik van zullen maken, of te wel: als voldoende fietsers op een route zijn te bundelen. Vervolgens is het zaak een logisch begin- en eindpunt te kiezen. Een route die gemakkelijk in de hoofden van de fietsers beklijft en die niet het gevoel geeft dat de route nog niet af is (de snelle fietsroute naar universiteit Nijmegen is nu eenmaal makkelijker dan ‘de snelle fietsroute die zo ongeveer tussen Zoetermeer en Pijnacker begint’).

Van herkenbaar punt naar herkenbaar punt dus. Vaak van de ene grote stad naar óf de andere grote stad óf naar een belangrijk voedingspunt. Wat niet wil zeggen dat iedereen ook de hele route affietst. In tegendeel de meeste fietsers gebruiken maar een stukje van de hele route. Op de snelle fietsroute tussen Leiden en Den Haag zat de grootste groei op de stukken nabij de beide steden, niet op het lange tussendeel. ‘Dakpanvervoer’: net als in het openbaar vervoer.

Belangrijke bestemmingen onderweg doe je uiteraard aan. Sterker: een of meer tussenpunten onderweg zijn onmisbaar om de fietsroute een beetje gevuld te krijgen. Tussen Leeuwarden en Drachten was daar bijvoorbeeld een groot gebrek aan en er was dus weinig potentie voor een snelle fietsroute. Daarbij is wel de vraag wanneer een belangrijke bestemming een omweg waard is en of het wenselijk is de route dwars door het tussenliggende dorp te projecteren. Voor deze vraag is geen eenduidig antwoord te geven. Werk alle mogelijkheden globaal uit en weeg de voor- en nadelen van de verschillende tracés tegen elkaar af. En misschien kun je allebei doen. Dan kan de alternatieve route dienen als feeder voor de hoofdroute en als aantrekkelijk maar niet zo snel alternatief en/of als sociaal veilige route voor de avonduren.

De snelle fietsroutes vormen de ruggengraat van het regionale fietsnetwerk. Zorg dus voor een goede aansluiting vanaf het stedelijke en regionale netwerk op je snelle fietsroute. Het is een gemiste kans als er parallelle, minder snelle fietsroutes nodig zijn omdat de link met de omgeving ontbreekt. Anders dan autosnelwegen kun je snelle fietsroutes goed inpassen binnen de bebouwde kom, zonder afbreuk te doen aan de woonkwaliteit en de verkeerveiligheid. Alleen de smalste straatjes lenen zich niet goed voor inpassing van een snelle fietsroutes. Alle overige straten, vanaf buurtstraatniveau, lenen zich doorgaans prima voor de inpassing van een snelle fietsroute. Noem ze dan overigens geen snelfietsroute en al helemaal geen fietssnelweg, dat levert een hoop ellende op. Bij lagere auto-intensiteiten en –snelheden als fietsstraat; op gebiedsontsluitingswegen met een parallel lopend fietspad, in het park of anderszins in het groen op een solitair tracé.

Met de tracering van de snelle fietsroute kan de kwaliteit in grote mate worden gestuurd: een kaal bedrijventerrein, een drukke stadsstraat of een park maakt een wereld van verschil voor de beleving van de fietser. Beleving is bepalend voor routekeuze van fietsers. En een route in een breed profiel biedt veel meer mogelijkheden voor een goede inpassing van de fietsroute dan een smalle kruipdoor-sluipdoorroute. Weeg af tussen een korte route met veel obstakels of een wat langer tracé waar snel kan worden gefietst. Aantrekkelijkheid en levendigheid langs de route zijn ook kwaliteitscriteria, maar een te grote omweg zullen fietsers ook niet accepteren. En als het ontwerp dan is afgerond, kijk nog eens terug naar de vorige fase. Met de uitwerking die we nu kiezen, is dit dan nog steeds de meest geschikte route? 
Een goed tracé is afhankelijk van lokale omstandigheden; kies voor herkenbare begin- en eindpunten.

Fietsers blijken echter niet altijd de kortste of snelste route te kiezen.
1. Fietsers hebben zeer veel verschillende routes die ze kunnen nemen. Anders dan auto’s of bussen is een route midden door een woonwijk niet langzamer dan elke andere route. En dan zijn er nogal wat mogelijkheden die je kunt kiezen.
2. Fietsers hebben geen idee van lengte van de routes.
3. Verschillende fietsers worden op verschillende momenten blij van verschillende routes en omstandigheden. De ene fietser wil snel verder, de ander wil wat te zien hebben, de ene route ligt beschut de andere route is fijn met wind mee, op het ene moment heb je behoefte aan stilte en rust en het andere moment heb je behoefte aan reuring bijvoorbeeld tijdens de schemering, ’s morgens heb je haast, ’s avonds ga je nog een ijsje halen. 
4. Fietsers hebben een enorme hekel aan stoppen en wachten. Routes met verkeerslichten staan dan ook al snel met 3-0 achter. Zet dan ook in op routes met zo min mogelijk kans tot oponthoud voor de fietsers.

We weten het ook niet precies. Misschien zijn er wel drie alles bepalende factoren die de routes van fietsers kunnen verklaren, maar vooralsnog hebben we geen idee welke dat nu precies zijn en is het routekeuzegedrag van fietsers dus een ogenschijnlijk chaotisch proces.
Voor snelle fietsroutes kunnen we een aantal variabelen eenvoudig elimineren: skip kruisdoor-sluipdoor, skip verkeerslichten, zorg voor glad asfalt, beschutting en een aantrekkelijke vormgeving. Zorg voor aantrekkelijke omgeving om doorheen te fietsen waar iets gebeurt en zorg voor rust. Dan heb je de meeste fietsers te pakken.

Bij de foto: Onderzoek naar Herenroute Utrecht

Terug naar Fietsfeuilleton.