Vervoersarmoede in beeld met verkeersmodellen Wat als lopen of fietsen niet gaat? Hoe we kwetsbare groepen zichtbaar maken en beleid eerlijker kunnen toetsen.
Wat als je niet (meer) kunt fietsen of lopen en een kleine beleidswijziging ineens je laatste reisoptie wegneemt? Binnen het DRO-programma (Digitale Regie in de Openbare Ruimte) werkten Gemeente Almere, Gemeente Amsterdam, Dat.mobility en Goudappel samen aan een aanpak die vervoersarmoede zichtbaar maakt in verkeersmodellen.
Vervoersarmoede: klein in aantallen, groot in impact
Mobiliteit is de sleutel tot meedoen in de samenleving: naar werk gaan, zorg bereiken, boodschappen doen of sociale contacten onderhouden. Voor veel mensen lijkt dat vanzelfsprekend, totdat lopen lastiger wordt of fietsen wegvalt vanwege gezondheid, angst of het ontbreken van een fiets. Bereikbaarheid verandert dan in een dagelijkse uitdaging.
Juist omdat het vaak om een relatief kleine groep gaat, blijft vervoersarmoede lang onzichtbaar in mobiliteitsbeleid dat traditioneel is gericht op doorstroming en gemiddelde reizigers. Terwijl de beleidsfocus verschuift naar bereikbaarheid en rechtvaardigheid, ontbreekt in bestaande databronnen vaak cruciale informatie over mobiliteitsvaardigheden, zoals fietsbezit, fietsvaardigheid en comfortabele loopafstand. Kwalitatief onderzoek liet zien hoe bepalend deze factoren zijn: in Nederland biedt de fiets veel vrijheid, maar wie (tijdelijk of permanent) niet meer kan fietsen, wordt snel afhankelijk van ov, aanvullend vervoer of een sociaal netwerk. Daarom startten Goudappel, Dat.mobility (onderdeel van Goudappel) en de Gemeenten Almere en Amsterdam binnen het DRO-programma een verdiepend onderzoek om inzichten uit de leefwereld te vertalen naar data en verkeersmodellen, zodat vervoersarmoede niet alleen een sociaal vraagstuk blijft, maar ook meetbaar en toetsbaar wordt in beleid.
Aanpakken van mobiliteitsongelijkheid
Inzicht in mobiliteitsongelijkheid voor kwetsbare groepen én oplossingen verkennen om deze ongelijkheid te verkleinen.
Ontdek hoe onze aanpak helpt
Van sociaal vraagstuk naar concreet beleidsinstrument
In dit onderzoek werkte Goudappel op het snijvlak van analyse en praktijk. De kwalitatieve gesprekken lieten zien hoe groot de impact is wanneer mobiliteitsopties wegvallen. Sommige mensen redden zich ogenschijnlijk goed zolang ze kunnen fietsen, zelfs als ze theoretisch gezien vervoersarmoede ervaren. Maar zodra fietsen geen optie meer is, ontstaat een kantelpunt. Dan wordt de afhankelijkheid van ov, aanvullend vervoer of het sociale netwerk zichtbaar.
De centrale vraag was vervolgens hoe deze realiteit kan worden meegenomen in verkeersmodellen. Hoe maak je een groep zichtbaar die in bestaande data nauwelijks voorkomt? Dat leidde tot een aanpak waarin:
- de juiste persoonskenmerken zijn geselecteerd (fietsvaardigheid, loopvaardigheid, fietsbezit en inkomen);
- nieuwe data zijn verzameld via een gerichte enquête in Flevoland;
- een methode is ontwikkeld om deze kenmerken te koppelen aan de synthetische populatie;
- en deze zijn geïntegreerd in een microscopisch verkeersmodel, zodat ze ook in scenario’s en beleidsdoorrekeningen kunnen worden meegenomen.
Zo ontstond een instrument dat mobiliteitsongelijkheid niet alleen beschrijft, maar ook zichtbaar maakt in cijfers en kaartbeelden; precies het niveau waarop gemeenten beleidskeuzes maken.
Bereikbaarheid voor werk (links) en winkels (rechts), vóór en na modelaanpassing. Door loop- en fietsvaardigheid toe te voegen worden uitschieters zichtbaar: mensen die afhankelijk zijn van het ov of geen reisopties meer hebben.
Octavius: het verschil tussen gemiddelden en echte mensen
Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek is Octavius, de microvraagmodelleringstechniek van Goudappel. Octavius simuleert mobiliteitskeuzes op het niveau van individuele (synthetische) personen, in plaats van te rekenen met gemiddelde reizigers of brede doelgroepen. Dat maakt het model bij uitstek geschikt om vervoersarmoede te analyseren.
Traditionele modellen gaan vaak impliciet uit van aannames zoals: iedereen kan fietsen, bezit een fiets en kan zonder moeite vijftien minuten naar een halte lopen. De enquête laat zien dat dit niet klopt. Daarom zijn kenmerken zoals maximale looptijd, fietsvaardigheid, fietsbezit en inkomen toegevoegd aan de synthetische populatie waarmee Octavius rekent.
Het resultaat is dat niet alleen gemiddelde bereikbaarheid zichtbaar wordt, maar ook de spreiding binnen groepen. Daardoor wordt duidelijk wie uitschiet naar extreem lage bereikbaarheid — en dus wie in de praktijk een probleem ervaart. Beleidsmaatregelen, zoals het aanpassen van een buslijn, kunnen zo eerlijker worden doorgerekend, omdat kwetsbare groepen niet wegvallen in gemiddelden.
Toekomstbestendige verkeersmodellering
Modelleren op persoonsniveau: krijg gedetailleerd inzicht in de effecten van beleid op specifieke doelgroepen.
Ontdek hoe het werkt
Wat we ontdekten: een grote blinde vlek
Omdat landelijke databronnen onvoldoende inzicht geven in mobiliteitsvaardigheden, is in Flevoland een enquête uitgevoerd onder ruim 400 respondenten met een laag inkomen. De uitkomsten onderstrepen het belang van dit onderwerp:
- 11% van de respondenten kan niet fietsen
- 16% kan maximaal 10 minuten comfortabel lopen
- 10% kan niet zelfstandig met het ov reizen
Dit zijn substantiële groepen, terwijl verkeersmodellen doorgaans aannemen dat iedereen kan fietsen en probleemloos naar een halte loopt. Precies de meest kwetsbare mensen blijven daardoor buiten beeld.
De modelstudie laat zien dat het toevoegen van fiets- en loopvaardigheid de gemiddelde bereikbaarheid nauwelijks verandert. Maar zodra gekeken wordt naar uitschieters en spreiding binnen doelgroepen, worden grote verschillen zichtbaar. Het gaat om mensen die nog maar één of zelfs geen reisopties hebben.
Een voorbeeld uit Almere maakt dit concreet. In een hypothetisch scenario waarin een buslijn wordt ingekort, blijken mensen die niet kunnen fietsen én minder dan vijf minuten kunnen lopen in sommige zones geen enkele mogelijkheid meer te hebben om het centrum te bereiken. Voor de gemiddelde reiziger is het effect beperkt; voor kwetsbare inwoners is het verschil ingrijpend.
Vier lessen voor eerlijker mobiliteitsbeleid
Het onderzoek laat zien dat vervoersarmoede niet alleen een sociaal probleem is, maar ook een dataprobleem. Wie kwetsbare groepen niet meet, kan er geen rechtvaardig beleid voor maken. Vier lessen zijn daarbij essentieel:
- Maak mobiliteitsvaardigheden onderdeel van de standaard modelwerkelijkheid.
Fietsvaardigheid, loopduur en ov-vaardigheid zijn cruciaal voor realistische bereikbaarheidsanalyses. - Kijk verder dan gemiddelden.
Vervoersarmoede zit vaak in kleine groepen met extreem lage bereikbaarheid. - Gebruik microscopische modellen om beleid eerlijk te toetsen.
Met Octavius is direct zichtbaar wie onevenredig geraakt wordt door maatregelen. - Werk toe naar landelijke data.
De huidige aanpak is gebaseerd op Flevoland. Een logische vervolgstap is landelijke uitvraag, bijvoorbeeld via een panel of ODiN.
Lees het prijswinnend paper over dit onderwerp
Een bereikbare samenleving vraagt om zicht op de kwetsbare inwoner
Vervoersarmoede wordt pas echt bespreekbaar als je het kunt aantonen. Dit onderzoek laat zien dat dat mogelijk is door kwalitatieve inzichten, gerichte dataverzameling en microvraagmodellering te combineren. Zo ontstaat een realistischer beeld van inwoners voor wie mobiliteit niet vanzelfsprekend is en kunnen beleidskeuzes eerlijker worden afgewogen.